|
Eind 1943 waren in Londen door het oorlogskabinet vier onderling samenhangende besluiten vervaardigd. Deze besluiten regelden het Buitengewoon Strafrecht, de bijzondere gerechtshoven, de bijzondere rechtspleging en de bijzondere gratieverlening.
Bovendien werd de strafmaat beduidend verhoogd en de doodstraf als mogelijke straf ingevoerd. In het Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven (Stb. D 62) werd bepaald dat er vijf Bijzondere hoven kwamen in de vijf steden waar de gewone hoven bestonden: Den Bosch, Den Haag, Arnhem, Leeuwarden en 1. wanneer de wet verkeerd was toegepast 2. als de straf die was opgelegd niet beantwoordde aan de ernst van het misdrijf, de omstandigheden waaronder het is begaan of de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeeldeIn het Besluit Buitengewone Rechtsvervolging (Stb. D 63) was het formele procesrecht geregeld. Van de toepassing van de in dit besluit geregelde voorlopige hechtenis regeling is niets terecht gekomen.De praktijk bleek met meer dan 100.000 gedetineerden weerbarstiger dan de theorie. Tot slot werd de gratie-voorziening geregeld in het Bijzonder Gratie-adviesbesluit (Stb. D 64). In dit besluit werd geregeld welke rechters gehoord moesten worden (en advies geven) aan de Kroon, voordat het verlenen van gratie overwogen kon worden. In de Besluiten over de Bijzondere rechtspleging ( Stb. D 61-64) waren twee zaken niet geregeld. 1. het enkele lid zijn van de NSB of haar mantelorganisaties was niet strafbaar, 2. er was geen regeling opgenomen voor het invrijheidstellen uit detentie. Zie verder WET van 13 mei 1948 tot opheffing van de bijzondere gerechtshoven, de Bijzondere Raad van Cassatie en de tribunalen. |